Verslag Els 2007
Expeditie Aconcagua
Met vier klimvrienden uit Nederland spraken Ben en ik af om in het vroege voorjaar van 2007 de Aconcagua te gaan beklimmen. De Aconcagua is de hoogste berg van Zuid Amerika en heeft een hoogte van 7962 meter. Mede daardoor behoort deze bergreus tot één van de Seven Summits. Dit zijn de hoogste bergen van ieder continent. Deze berg ligt in de Andes-keten, een machtig bergmassief dat heel Zuid Amerika overspant.
Via internet kwamen we in contact met de organisatie Inka Expediciones die beklimmingen in de Andes organiseert. Toen wij in het stadje Mendoza in Argentinië aankwamen voegden zich nog 5 klimmers bij onze groep. In totaal waren we nu met 10 mannen en 1 vrouw (Els). Deze mannen kwamen uit Canada, Australië, Engeland, Venezuela en de V.S. Na een aantal formaliteiten kwamen we in Penitentes aan, een klein bergdorpje dat vlak bij het begin van de trekking naar het basiskamp ligt. We begonnen daar op 2400 meter aan de driedaagse tocht naar het basiskamp dat op 4200 meter hoogte ligt. Deze tocht is 60 km lang en daardoor al behoorlijk zwaar. Bepakt en gezakt met al het materiaal dat nodig is voor een dergelijke beklimming startten we ons avontuur. Kleding, materiaal, tenten, slaapzakken, matrassen, voedsel voor 2 weken, kookspullen en noem maar op, alles moest mee. Gelukkig konden we voor de trekking naar het basiskamp gebruik maken van muilezels (mulas) die een deel van de bagage voor ons vervoerden. Onder een stralende zon die recht boven ons stond zetten we onze eerste stappen omhoog. In Argentinië is het eind januari hoog zomer en dat was goed te merken. De temperatuur was ruim boven de dertig graden, de lucht gortdroog, heel veel drinken was daarom het devies. De 4 liter water die ieder van ons bij zich had kwam goed van pas, maar toch kwam ik met een zeurende hoofdpijn de eerste dag in het kampje Pampa de Lenas aan. Door de brandende zon had ik een lichte zonnesteek opgelopen die me erg in de weg zat bij het opzetten van ons tentje. Geen eetlust, misselijk, dat begon al goed! Na wat voorzichtig informeren bij de andere expeditiegenoten bleek dat er meer waren die zich niet helemaal lekker voelden, dat gaf troost.
De volgende dag vertrokken we welgemoed verder, een lange route naar Casa de Piedra dat op 3200 meter hoogte ligt. We stegen die dag maar 400 meter, dat lijkt niet zoveel maar we moesten ruim 22 km overbruggen. Het tempo was pittig, maar ik kon goed mee en had geen last meer van de zonnesteek. Op Casa de Piedra waaide het al loeihard, we moesten onze North Face expeditietentjes met grote rotsblokken verankeren. Vlak voordat we in ons kampje aankwamen zagen we voor het eerst een glimp van de Aconcagua. Hij zag er die dag donker en dreigend uit, rondom de top (die niet te zien was) hing zware bewolking en je kon zien dat er een harde wind stond. Geen prettig gezicht en we keken er maar niet al te lang naar. De muildierdrijvers verzorgden die dag de maaltijd, ze roosterden grote lappen heerlijk Argentijns vlees. Gelukkig had ik weer trek en we smulden er van. We hebben geen vegetariërs in ons gezelschap, je hebt dan echt een probleem in Argentinië! Door de hitte waar we deze dag ook nog veel last van hadden ging er wel zo’n 4 tot 5 liter water in. Die nacht moest ik er al 3 keer uit om te plassen, in mijn dagboekje vroeg ik me af waarom dit nu zo leuk is….. Gelukkig moesten de mannen ook veel plassen, dus niet iets typisch voor vrouwen, daar ben ik in het klimmerswereldje altijd wat voor beducht. Morgen een zware tocht naar basecamp op 4200 meter, we stijgen dan 1000 meter.
Een lange zware dag zou het worden en dat klopte ook. Al vrij snel moesten we een brede stroom over en dat deden we op muilezels. Dat was een hele ervaring! Ik moest me goed vasthouden en was blij dat ik zonder problemen aan de overkant van de stroom was gekomen. Daar begon meteen een fikse stijging van 500 meter recht omhoog over smalle en steile bergpaden. Onderweg passeerden ons geregeld de mulas. Dan moesten we ons op die smalle paadjes vastklampen aan de bergwand. Ze veroorzaakten veel stof, vaak zag je ze wegglijden maar ze kwamen toch altijd weer op hun poten terecht. Er verongelukken toch wel eens wat mulas, dat is dan een bedrijfsongeluk. Na de eerste stijging moesten we weer een brede stroom over en daarvoor moesten de schoenen en broeken uit. Op Teva’s, dat zijn een soort sandalen die geschikt zijn voor dit soort werk, staken we van rotsblok tot rotsblok door het water - dat tot mijn billen kwam - de beek over. Ik had moeite me goed overeind te houden in die zware stroom met een temperatuur van iets boven nul.
Daarna moesten we nog 500 meter stijgen en dat werd een lange etappe met veel op en neer en daardoor vermoeiend. We waren al bijna op een hoogte van 4000 meter gekomen en dat merkten we goed. Het lopen op die hoogte kost meer moeite, dat gevoel herken ik goed, toch overvalt je het iedere keer weer. Mijn gedachten dwaalden onderweg wat af en ik besefte dat de weg naar de top nog 3000 meter stijgen zou zijn. Nog maar niet teveel aan denken, iedere dag is er één.
Onderweg ontmoetten we wat mensen die afdaalden. Ze vertelden ons dat er gisteren zo’n sterke wind in het basiskamp stond zodat er 5 expeditietentjes met inhoud en al weggeblazen werden. Een paar dagen daarvoor stond er in het basiskamp een z.g. ‘white-out’, dat betekent dat er door de vele sneeuw die toen viel en de harde wind die er stond geen hand voor ogen werd gezien. Ze hadden hogerop de berg veel sneeuw aangetroffen en dat is heel ongebruikelijk voor de Aconcagua. Deze mensen hadden de top niet gehaald, ze waren tot kamp twee op de berg gekomen. De laatste paar honderd meters stijging kregen wij ook weer flink last van de harde wind. Ik merkte dat Ben wat moeite kreeg met zijn tempo. Na een rustpauze kwam hij moeilijk op gang, en expeditieleden die de vorige twee dagen ruim achter hem liepen kwamen hem voorbijlopen. Ik ging achter hem lopen en raadde hem aan zijn eigen tempo te blijven gaan, op deze hoogte loop je jezelf heel gauw over de kop en daar kan je heel moeilijk van herstellen. Ik begon me wat zorgen te maken, het leek net zoals op de Elbrus in 2004 toen het kaarsje voor Ben langzaam uitging, hij kreeg toen hoogteziekte. Ik bleef bij Ben lopen en moe maar voldaan kwamen we in het basiskamp aan. Daar wachtte ons een leuke verrassing, in de eettent waren op de tafel allemaal lekkere hapjes te vinden. Alle vermoeienis zonk van ons af en we genoten van het moment.
Later die dag zetten we onze expeditietenten op. De tentjes moesten zwaar verankerd worden, de storm van twee dagen geleden zat nog in ons hoofd. We kregen strenge instructies van de gidsen, het komt hier heel regelmatig voor dat de tentjes niet bestand zijn tegen de stormwinden die deze berg regelmatig teisteren. Ben had niet veel puf meer en ik moest veel van het zware werk doen zoals de stenen sjouwen. Ik dacht terug aan kamp 1 op de Elbrus waar Ben ook al weinig energie had. Gelukkig zouden we hier de volgende dag een acclimatisatie dag hebben en wie weet zou het dan weer beter met hem gaan.
Voor we gingen eten werden we door een arts gecontroleerd hoe het met de zuurstofopname in ons bloed zat. Onze hartslag en bloeddruk werd tevens gemeten. Zolang we in het basiskamp zijn zouden we hierop dagelijks gecontroleerd worden. Dit meten werd de dagen hiervoor al door de gidsen uitgevoerd en zou de volgende dagen hogerop de berg ook door hen geregeld worden. Dag één tijdens de trekking was mijn zuurstofwaarde 98 %, dag twee 89% en vandaag was dat 82%. Ik verwacht en hoop dat deze morgen weer hoger zal zijn.
Rustdag in basecamp en de ‘Dutch’ zoals we door de anderen genoemd worden, zitten genoeglijk vele kommen thee te drinken, in dagboekjes te schrijven en voeren eindeloze gesprekken over hoe het de komende dagen ons zal vergaan. Morgen zullen we in ieder geval naar kamp 1 op de Aconcagua gaan. Ieder van ons krijgt een aantal kilo’s voedsel in zijn rugzak te dragen, het voedsel dat we de komende dagen nodig zullen hebben om op de top te komen. We zullen morgen ook weer afdalen naar basecamp en daar nog een dag acclimatiseren.
Vandaag naar kamp 1! Na het ontbijt worden de voedselpakketten verdeeld en daarna de rugzakken met inhoud gewogen. We moeten allemaal evenveel kilo’s dragen, er wordt geen onderscheid gemaakt. Mijn rugzak weegt ruim 15 kg daar komt dan nog zo’n 4 liter water bij! Ik kijk tersluiks even naar Rick, onze grote en sterke Amerikaan die tegen de 100 kg weegt, die kijkt terug, kijkt naar zijn rugzak en zegt: “Sorry Els, this is enough for me!” Tja, wie A zegt, moet ook B zeggen.
Gistermiddag sneeuwde het flink in ons kamp en die avond lag er een flinke laag. Nu schijnt de zon volop, er staat weinig wind, het ziet er goed uit. Kwart voor tien vertrekken we, allemaal bepakt en gezakt. Het tempo dat we aanhouden is rustig en goed vol te houden. Na een uur klimmen stoppen we even om wat te drinken. Ik hou me goed aan het vereiste aantal liters dat we dagelijks moeten drinken, een liter of 5 à 6 haal ik makkelijk. Mijn eetlust is prima, het smaakt me goed, dat maakt dat ik me zeker voel. Het landschap is prachtig, we passeren de beroemde penitentes, dat zijn de typische puntige ijsformaties, kenmerkend voor het Andes gebergte. We lopen op een gletsjer, het is een beetje vergelijkbaar met de Rongbukgletsjer op de Mount Everest, langs gletsjerspleten. De omgeving is prachtig en ik geniet. Na de lunchpauze krijgt Ben toch weer problemen. Hij is er nog niet klaar voor als we willen vertrekken en krijgt moeite met het tempo. Ik loop weer achter hem aan en let op dat hij niet te snel wil gaan. Op ca. 4700 meter hoogte begint de lastige klim tegen een puinhelling die tot kamp1 zou doorgaan. Je doet twee stappen en je glijdt een stap en soms wel drie terug. Alles op deze helling ligt los, grote stenen, kleine stenen, het glijdt allemaal weg. Onder het puin en de stenen ligt ijs en dat maakt het lastig. Er is geen houvast. De stokken geven geen grip, alleen je ‘drive’ moet het doen. Ben krijgt steeds meer problemen, heeft veel moeite met het zware terrein en raakt steeds meer uitgeput. Halverwege deze helling passeert iemand me, ik maak me los van Ben en de gids die bij Ben is gaan lopen, en volg de man. Het laatste stuk tot kamp 1 is heel steil en me aan de penitentes optrekkend kom ik langzaam vooruit. Ik zie geen klimmers meer, ik zie geen pad meer, ik moet het helemaal zelf doen. De twee andere gidsen zijn al met de rest van de jongens meegegaan. Alles waarop ik sta komt in beweging, grote stenen, puin en gruis, een constante stroom glijdt onder me van de berg af. Hoog boven me zie ik wat mannen van onze groep die boven de steile helling zijn aangekomen en ik moet goed kijken hoe ik mijn weg vervolg. Een spoor is niet te zien in deze desolate omgeving. Maar ik kom tenslotte boven en vind al snel de plek waar we overmorgen ons kamp zullen opbouwen. Ik lever mijn voedselpakket in die tegen een rotswand opgeslagen wordt bij de andere voedselpakketten. Met een vrijwel lege rugzak ga ik moe maar tevreden even zitten. Maar gelijktijdig begint het hard te waaien en al gauw vallen de eerste sneeuwvlokken. De gidsen vinden dat we snel moeten afdalen. De jongens gaan al en ik volg iets later, ik moet nog even mezelf en wat spullen op orde brengen. Ben zie ik niet en ik ben bang dat hij kamp 1 niet heeft gehaald….
Dat blijkt al gauw in de afdaling, ik zie hem in de verte staan. Hij kwam tot 4915 meter en toen ging het lichtje uit. Gids Dario heeft het voedsel- en brandstofpakket dat Ben bij zich droeg naar het kamp gebracht en Ben op het hart gedrukt te blijven zitten waar hij zat. Op zo´n puinhelling is dat gemakkelijker gezegd dan gedaan, want de stenen waarop je zit glijden steeds weg. Ben werd daar al snel koud. Toen hij daar zo´n 40 minuten zat kwamen de eersten van onze groep de helling afglijden en kon hij aansluiten.
Zo moeilijk als het was om op die helling omhoog te gaan, zo gemakkelijk was het om er langs af te dalen. Met diep gebogen knieën, je hakken in het puin, glijd je geconcentreerd naar beneden. Dit soort hellingen kom je in de Alpen ook regelmatig tegen, daar heb ik intussen heel wat ervaring mee opgedaan. Halverwege mijn afdaling (over die puinhelling) voegde Ben zich weer bij mij. Ook met afdalen had hij moeite, terwijl hij daar in de Alpen nooit een probleem mee heeft. Onderaan deze ca. 300 meter hoge puinhelling werd het terrein wat stabieler en ik hoopte dat Ben zich al weer wat beter zou voelen, maar de rest van de afdaling werd voor Ben een martelgang. Telkens als het pad weer iets omhoog liep was hij helemaal gevloerd. Gids Hernan die bij ons kwam lopen voorop, daarna volgde Ben en ik liep daarachter om Ben goed in de gaten te houden.
Ik genoot van het afdalen en van de omgeving, maar ik moest mijn aandacht steeds meer op Ben richten. Regelmatig liep hij wat te zwalken en stopte steeds vaker om te rusten. Hij werd slaperig en het was zaak hem bij de les te houden. Toen we op ca. 4500 m zaten kwam er nog een steile afdaling over smalle gruispaadjes waar je al je aandacht voor nodig had. De paadjes liepen over steile, instabiele gruishellingen. Op een lastig stuk ging Hernan naast het pad staan om Ben, die dreigde te gaan glijden, te helpen. Maar in plaats van Ben gleed Hernan uit. Gelukkig wist hij zich een aantal meters lager weer staande te houden. Je voelt je erg ongelukkig op zo´n moment en kunt niets voor zo’n man doen. Ben werd heel emotioneel, wilde proberen Hernan te helpen, maar Hernan gebood hem te blijven waar hij was. Die zag de ramp al gebeuren, dan waren er twee slachtoffers. Gelukkig kwam Hernan op eigen kracht weer terug op het pad en een stukje verderop, waar de helling weer wat stabieler was, daalde hij af om één van zijn stokken - die hij bij de val verloren had - weer op te halen. Al met al had het heel wat voeten in de aarde en de rest van de tocht naar basecamp moesten we Ben heel goed in de gaten houden.
Een uur na de anderen arriveerden we daar uiteindelijk. Ben werd gelijk door de daar aanwezige arts gecontroleerd. Zijn zuurstofwaarden waren veel te laag en de rest van de avond bleef hij onder voortdurende controle. De arts en de gidsen maakten zich zorgen over zijn gezondheid. Verdere voortzetting van de tocht was voor hem niet meer mogelijk. Ik hoopte nog stilletjes dat de rustdag morgen Ben goed zou doen en we dan alsnog naar boven zouden kunnen. Ik voelde me prima en had heel veel zin om verder te gaan.
Ik besluit echter bij Ben te blijven. We zijn nog zeker 6 dagen van de top af en dan zouden we nog een paar dagen nodig hebben voordat we weer in de bewoonde wereld terugkomen. Dat duurt alles bij elkaar veel te lang. Een grote teleurstelling en ik probeer me goed te houden. Enerzijds maak ik me grote zorgen om Ben, anderzijds wil ik zo graag verder omhoog. Ben mag die avond niet gaan liggen en blijft in de kooktent waar het lekker warm is en de dokter hem de hele tijd in de gaten kan houden. Nadat Ben daar om 11 uur ´s avonds nog een keer is gecontroleerd, mag hij naar onze tent. Ik krijg instructies om hem goed in de gaten te houden en krijg de kans niet om te slapen. De dokter komt om 5.30 uur ´s morgens naar onze tent voor nog een controle. Hij is niet tevreden en een uur later moet Ben naar de keukentent komen om nogmaals te worden gecontroleerd. Van het kleine stukje lopen naar de keukentent is Ben volkomen uitgeteld. Het duurt een paar minuten voordat hij zijn ademhaling weer onder controle heeft. Daar valt dan de beslissing: afdalen en wel zo snel mogelijk. De dokter is bang voor longoedeem en dan kan het binnen een paar uur met je afgelopen wezen. Er is in zo’n geval maar één remedie en dat is zo snel als mogelijk naar beneden. Dat kan in dit gebied alleen maar per helikopter. Lopend afdalen duurt dan veel te lang (enkele dagen). Deze beslissing werd om 6.45 uur genomen en de helikopter zou om 7.30 uur arriveren. Ik lag net even te slapen en de gids kwam me waarschuwen dat we binnen een half uur klaar moesten staan voor de helikopter. Alleen het meest noodzakelijke mocht mee zoals medicijnen en wat toiletspullen. De (kleine) helikopter vliegt daar op zijn maximale hoogte en dat moet dan zo licht mogelijk bepakt zijn. Ik pak snel de meest noodzakelijke spullen in, de rest moeten we laten liggen. De gidsen zullen onze tent afbreken en de achtergebleven bagage inpakken. Die wordt de komende dagen per muilezel naar het dal vervoerd. Ik was blij dat ik mee mocht met de helikopter i.p.v. afdalen per muilezel waar nog even sprake van was.
Ik zit in de helikopter en zwaai naar de jongens die achterblijven. Door mijn tranen heen kijk ik naar het kleiner wordende basecamp. We vliegen steeds hoger om een pas over te gaan; we zitten al gauw op ruim 5000 m. en heel veel hoger kan een helikopter niet komen vanwege de ijle lucht. Gids Hernan zei me bij het afscheid nog foto´s te maken en vooral te genieten en dat doe ik dan maar.